Geschiedenis

(Bron: Geschiedenis van Reddingsbrigades Nederland)

Aanleiding voor de oprichting van de Amsterdamse Reddingsbrigade
Amsterdam is al eeuwenlang een waterstad, al sinds het begin van de 20ste eeuw. Schepen voeren af en aan en de grachten werden druk bevaren. Mensen woonden met hun hele gezin aan boord van de schepen. In maart 1913 was er een tragisch ongeval wat aanleiding gaf tot oprichting van de Amsterdamse Reddingsbrigade.

Meneer en Mevrouw van den Akker woonden met hun vier kinderen op een woonschip aan de Oosterdoksdijk in Amsterdam. Op 3 maart 1913 gingen zij nog even op koffievisite, maar lieten hun vier kinderen slapen. Om onverklaarbare reden maakte het schip snel water en zonk. Burgers aan de walkant keken radeloos toe, maar konden niets doen. De gebroeders Meyer wilden het water inspringen en proberen te duiken om zo de kinderen te redden. Zij werden tegengehouden door politieagenten, die bang waren voor nog meer slachtoffers. De vier kinderen verdronken jammerlijk.

De gebroeders Meyer brachten een aantal notabelen van de stad bijeen. Zij kwamen op 10 april 1913 samen in restaurant Paleis Royal voor de oprichtingsvergadering van de Amsterdamsche Vrijwillige Reddingsbrigade. Op 16 mei 1913 werden de statuten en het huishoudelijk reglement van de reddingsbrigade formeel vastgelegd bij de notaris en was de oprichting van de Amsterdamse Reddingsbrigade een feit.

010003033411
1914. Het bestuur van de A.R.B. : o.a. De heren L.B. Bouman,  A.A. Bierlee, C.V. Kramer en C.P.Kellenbach

De reddingsbrigade oefende eerst in het zwembad Heiligeweg aan de Heiligeweg in het centrum van Amsterdam. Hier gaf men les in het bestrijden van de verdrinkingsdood. Duizenden Amsterdammers hebben in dit zwembad hun brevetjes en diploma’s gehaald.

Richtte de reddingsbrigade zich in het begin vooral op het zwemmen. Na de watersnoodramp in 1953 werd er een Rampenfonds opgericht en de reddingsbrigade ging zich vanaf 1960  ook richtten op het varend redden.

In de jaren zestig werd duidelijk dat er jaarlijks een heleboel slachtoffers vielen bij auto’s die te water raakten. Daarom schafte de reddingsbrigade zich begin jaren zestig een autocabine aan. Daarmee was zij één van de eerste organisaties die cursussen Auto te Water gingen geven.

Begin vorige eeuw werden er, in het kader van stadsuitbreiding, nieuwe woonwijken gerealiseerd aan de overkant van het IJ. Amsterdam-Noord werd geboren. Verbonden door slechts een tweetal autotunnels met het “vasteland” van Amsterdam bleef Amsterdam-Noord een beetje op zichzelf. Veel mensen maakten de overstap naar de overkant niet voor het volgen van  cursussen zwemmend redden. Daarom vond het bestuur  in de jaren 70 dat er aan de overkant van ’t IJ ook een mogelijkheid moest komen om de kunst van het zwemmend redden te leren. Daarom werd vanaf die tijd ook gezwommen in het Floraparkbad in Amsterdam-Noord.

Ook in de jaren zeventig kreeg de vereniging haar eerste eigen onderkomen in een oude cacaoloods aan de Sumatrakade in Amsterdam. Hier werden onze vaartuigen en ander materiaal ondergebracht. Tevens werden vanuit dit pand vaarcursussen gegeven. Toen in de jaren tachtig een lid ons een oud strandhuisje doneerde, konden onze leden vanuit dit strandhuisje in de loods ook voor een gezelligheidsmiddag bij elkaar komen.

Begin jaren tachtig werd het Heiligewegbad gesloten en week de reddingsbrigade uit naar het Sloterparkbad en daar zwemmen we nog steeds. De reddingsbrigade had in de jaren tachtig een keet langs de Gaasperplas staan. De Gaasperplas werd ons beveiligingsgebied. Eind jaren negentig besloot Groengebied Amstelland het bewakende gedeelte te beperken tot een EHBO-post en hierbij was voor ons geen plaats.

De jaren negentig werden op het gebied van clubhuis een drama. In 1992 brandde tijdens een grote brand in het Oostelijk Havengeibied onze loods ook af. Ternauwernood konden wij onze boten en nog wat materiaal uit de puinhopen redden, maar vanaf dat moment werd het zwerven. Van een loods van de waterpolitie naar een jachtwerf. Van een jachtwerf naar jachthaven in Amstelveen, van de jachthaven naar een pand aan de Coenhavenweg, van de Coenhavenweg naar de Vlothavenweg en toen weer terug naar, alweer een cacaoloods, aan de Coenhavenweg. Hier dachten wij goed te zitten, maar toen kwam het plan om een tweede Coentunnel te bouwen. Wij stonden op straat. Op dit moment vinden onze boten onderdak bij de brandweer in Amstelveen  en worden onze cursussen gegeven in een bedrijfskantine in Amsterdam-Noord. Verre van ideaal, maar we roeien met de riemen die we hebben.

Als één na oudste reddingsbrigade van Nederland heeft de Amsterdamse Reddingsbrigade mede aan de wieg gestaan van de overkoepelende bond Reddingsbrigade Nederland (K.N.B.R.D.)

LOGO_REDNED_PERS
Reddingsbrigade Nederland

De oprichting van een landelijke bond
Op 16 september 1917 werd door de reddingsbrigades van Den Bosch, Amsterdam, Haarlem en Den Haag en Breda de Nederlandsche Bond tot het Redden van Drenkelingen opgericht (NBRD). In 1923 ging de Bond haar eigen exameneisen vaststellen. De opleidingen zagen er in het gehele land nu hetzelfde uit. Na de oprichting van de NBRD werden er steeds meer reddingsbrigades opgericht die zich aansloten bij de Bond. Daarbij moet duidelijk vastgesteld worden dat reddingsbrigades zowel aan de kust als elders in het land ontstonden. Overeenkomst was dat ze allen tot doel hadden de verdrinkingsdood te voorkomen. Uit die tijd stammen de nu nog gebruikte uitspraken: “Iedere zwemmer redder” en “Zolang niet iedereen kan zwemmen, moet iedere zwemmer kunnen redden”.

In 1931 verscheen het eerste Bondshandboek voor het redden van drenkelingen. Deze leidraad bestaat nog steeds: de Handleiding Zwemmend Redden.

Een koninklijk tintje
In 1950 gaf Z.K.H. Prins Benard te kennen dat hij Beschermheer van de Bond wilde zijn. Tijdens de Ledenvergadering van de Bond op 4 oktober 1952 kreeg de Bond het predikaat Koninklijk, zodat zij zich voortaan Koninklijke Nederlandse Bond tot het Redden van Drenkelingen

Financiering
In eerste instantie werden de activiteiten van de bond voornamelijk bekostigd door de contributies van de leden en de afdrachten van  aangesloten reddingsbrigades. Pas later probeerde men ook geld van de overheid te verkrijgen. De leden van de KNBRD waren allemaal vrijwilligers; mensen die het werk naast hun vaste baan deden (zowel de werkelijke inzet als het administratieve gedeelte). Dit zorgde nogal eens voor problemen want wanneer men moest vergaderen ging dit ten koste van een vrije dag. Vooral voor bestuursleden van de KNBRD die vaak bij elkaar kwamen liep dit nogal uit de hand. Er gingen dan ook stemmen op om mensen in dienst te nemen van de KNBRD zodat het (kantoor)werk van de Bond veilig gesteld werd en niet meer onderhevig was aan al dan niet tijd hebben. Hier was echter geen geld voor.

In 1955 kreeg men van de regering subsidie waarmee één vaste kracht in dienst kon worden genomen. Het werk voor de Bond gebeurde in die tijd bij deze secretaresse en de voorzitter thuis.

In 1956 verhuisde de secretaresse van de KNBRD naar de Koninginneweg in Haarlem. De benedenverdieping van haar huis werd ingericht als bondsbureau van de KNBRD. Aangezien de Bond snel in omvang toenam werd er in 1961 een tweede vaste kracht in dienst genomen. Nu er zoveel werk werd gedaan op het ‘bondsbureau’ werd de ruimte al snel te klein, In 1976 kon men een kantoorpand in de Frans Halsstraat te Haarlem kopen. Met behulp van vele bondsleden werd het nieuwe Bondsbureau van de KNBRD ingeruimd.

Na enige jaren aan de Frans Halsstraat te hebben doorgebracht, bleek dat er behoefte was om het kantoor en het depot op één locatie bij elkaar te hebben. Daarom werd gezocht naar mogelijkheden voor nieuwbouw. Een plek werd gezocht en gevonden in IJmuiden en zo werd de bouw van het Nationaal Trainingscentrum in januari 1996 een feit. De KNBRD kreeg vanaf dat moment een andere naam : Reddingbrigades Nederland. Een naam die zowel voor leden als derden duidelijk weergeeft waar de organisatie voor staat. Anno 2000 zijn er bijna 180 reddingsbrigades aangesloten bij Reddingsbrigades Nederland. Er zijn 8 beroepskrachten in dienst waarvan 6 administratief en 2 op technisch gebied.

Het Nationaal Trainingscentrum is een multifunctioneel centrum waar ook gebruik gemaakt kan worden van instructieruimtes voor het geven van theorielessen, het organiseren van examens voor diverse opleidingen en technische instructie.

Watersnoodramp Zeeland (1953)
Tijdens de Watersnoodramp van februari 1953 in Zeeland werden er reddingsbrigades met boten ingezet om mensen te evacueren. Om ervoor te zorgen dat in het geval van een nieuwe ramp in ons waterrijke land er snel hulp met boten ter plekke zou zijn werd na lang vergaderen vanuit het Nationaal Rampenfonds f 300.000,- aan de KNBRD beschikbaar gesteld voor de aanschaf van 65 (redding)boten. Dit waren geen gewone boten; ze moesten voldoen aan strenge eisen omdat ze een specifieke taak hadden. Voorbeelden: de boten moesten gemaakt zijn van stevig materiaal zodat ze niet snel lek raakten, ze moesten stabiel zijn zodat je er makkelijk in kon stappen en de boten mochten niet te diep in het water liggen omdat je ermee over ondergelopen land moest kunnen varen.

Het was niet makkelijk om een boot te vinden die aan alle eisen voldeed, toch werd eind jaren ’50 de bondsreddingvlet een feit. In 1962 kreeg de KNBRD toestemming om een speciaal gebouw neer te zetten voor de opslag van de bondsreddingvletten. Dit depot stond in IJmuiden, vanuit daar was het mogelijk om de boten snel in te zetten bij een ramp. Reddingsbrigades in het land die ook een reddingsvlet wilden hebben moesten ervoor zorgen dat deze netjes opgeslagen kon worden en er mensen waren die hadden geleerd om met de boot te varen. Ook stond de reddingsbrigade op een alarmlijst zodat bij een noodgeval de reddingsbrigade snel ingezet kon worden. In onze tijd bestaan deze reddingvletten nog steeds. Er hebben enkele aanpassingen plaatsgevonden, zo is de vlet nu van polyester, is de vlet vrijwel onderhoudsvrij en zijn ze allemaal uitgerust met een buitenboordmotor en mobilofoon.

Overeenkomst ‘vlettenvloot’
Na de inzet bij de grootschalige wateroverlast in 1993 en 1995, is duidelijk gebleken dat de rampenvloot, daterend uit de zestiger jaren, sterk verouderd was. Na jarenlange besprekingen met het Ministerie van Binnenlandse zaken en het Nationaal Rampenfonds werd in 1995 een overeenkomst gesloten om de vanaf 1953 aangeschafte rampenvloot te vervangen. Met diverse investeringsimpulsen werden in totaal 90 eenheden (vletten op trailers met motoren en complete uitrusting) aangeschaft . De uitrusting bestaat o.a. uit mobilofoons, waterdichte werkpakken, reddingsvesten en EHBO-koffers.

Om de toekomstige bemanning van de rampenvletten te leren hoe te varen en te handelen in een rampgebied, werd de opleiding Bondsschipper ontwikkeld. In 1996 zijn de eerste Bondsschippers geslaagd. Voor de verdere training van de bemanning zullen in het gehele land oefeningen worden georganiseerd in samenwerking met de brandweer en andere hulpverleningsinstanties, zodat bij een werkelijke inzet doelmatig en snel hulp geboden kan worden.

Brandingsboot
Op het binnenwater werd veel gebruik gemaakt van de bondsreddingvletten; aan de kust bleek echter in de jaren ’70 behoefte te zijn aan een snellere, meer wendbare boot die aan de kust dienst kon doen als redding- en surveillance boot. In samenwerking met scheepsbouwer Mulder & Rijke uit IJmuiden werd een snelle boot ontworpen en gebouwd; de brandingsboot (bondsreddingboot). Geheel in polyester uitgevoerd voldeed deze boot volledig aan de gestelde eisen. In 1992 werd de opvolger, de Rescue II (2000) gebouwd.

Activiteiten van de KNBRD
In de loop der jaren werden er door de KNBRD diverse brevetten en diploma’s ingesteld, zo kun je elke keer weer meer leren op het gebied van zwemmend en varend redden. Ook wordt er ondersteunend materiaal beschikbaar gesteld zoals boekjes, folders en diverse reddingsmiddelen (bijvoorbeeld reddingsklossen, werpzakken, reddingstuigjes, autogordelmessen).